Commandantwoning Westerbork

woorden: Rianne van der Kamp
beelden: Petrina Derksen

©Petrina LIEFKE Editie 10 Voorjaar - Westerbork-7274_1200

Met gemengde gevoelens loop ik de laatste meters van het bospad af. Hoe dichter het eindpunt in zicht komt, hoe sterker de gevoelens naar boven komen. In de verte, tussen de bomen door, zie ik wolken weerspiegelen in een grote glazen wand. Langzaam wijken de bomen voor een verharde, open weg. Ik besluit om even stil te gaan staan, mijn ogen te sluiten en diep in- en uit te ademen. De gevoelens zwakken af, er komt weer ruimte in mijn hoofd. Wat ik zometeen ga bekijken, vraagt aandacht en een open houding. Aan de woning, een rijksmonument, waar het pad me naartoe leidt is namelijk een bijzon – der verhaal verbonden. Het gaat over een belangrijk deel van onze Nederlandse geschiedenis. 

Het rijksmonument bevindt zich in Drenthe, in een bos grenzend aan de dorpen Westerbork en Hooghalen. Het maakt deel uit van Herinnerings – centrum Kamp Westerbork. Zojuist heb ik de indrukwekkende beelden en verhalen in de expositie over het kamp op me in laten werken, welke ik nu probeer naar de achtergrond van mijn gedachten te brengen. Dit gebouw vraagt om een frisse blik, wanneer ik er zometeen voor sta. Al doorlopend sta ik opeens oog in oog met de bijzondere woning die omsloten wordt door een gigantische glazen kas. Ik ben aangekomen bij de Commandantwoning van Kamp Westerbork. 

Voor mij staat een houten huis, badend in zonlicht en omgeven door bomen en gras. Even brengt het me van mijn stuk, in mijn maag trekt iets samen. Ondanks het feit dat de woning op instorten lijkt te staan ziet het plaatje er prachtig, bijna idyllisch uit. Als een huis uit een sprookje oprijzend tussen het groen, met donkergroen geverfde houten wanden en witte kozijnen. De bovenverdieping is helemaal witgeverfd net als de wanden van de aangebouwde serre. Langzaam kom ik dichterbij en loop om de kas heen. Een van de kleine ramen op de bovenverdieping staat op een kier. De ramen beneden zijn afgeschermd met rafelige en van kleur verschoten vitrages. Overal bladdert de verf van de kozijnen en houten wanden. Sommige delen zijn totaal weggerot, op een aantal plekken zijn stukken vernieuwd. Ongeverfde houten planken sluiten naadloos aan op de oude delen.

De knoop in mijn maag lijkt minder te worden. Dit had ik niet verwacht. Het huis zelf oogt wat streng door de strakke kubusvorm, het puntdak en de rechte planken waaruit de wanden zijn opgebouwd. Maar de kleine ra – men en het overdekte portaal bij de voordeur ogen uitnodigend. Er zijn fijne details aangebracht in de randen van het houtwerk. En de serre lijkt me een heerlijke plek om te zitten wanneer de zon schijnt. De woning ziet eruit als een uit de kluiten gewassen houten huisje in het bos. Wanneer ik de hoek omloop ontwaar ik een aangebouwde, kleine schuur. Er is een plaatsje achter het huis en zelfs een rozenstruik die langs de wand groeit. Ik vraag me even af hoe deze overleeft, onder een glazen overkapping en zonder regenwater.

Dan draai ik me om en keer mijn rug naar het huis. Het beeld dat ik zie, staat in schril contrast met wat ach – ter me ligt. Een paar meter verderop staat een hoog hek, met daarachter een slagboom en een groot open veld. Her en der staan bomen. In de verte is een oude treinwagon opgesteld op een klein stukje spoor. De verhalen en beelden van de expositie keren terug op mijn netvlies. Deze locatie is allesbehalve idyllisch. Het hek en de slagboom lijken een letterlijke grens tussen twee werelden aan te geven. Dit is een andere wereld, dit is een heel andere plek.

©Petrina LIEFKE Editie 10 Voorjaar - Westerbork-7260_1200

De commandantwoning achter me is in 1939 als woonhuis gebouwd, in opdracht van de Nederlandse overheid. Een onderkomen voor de directeur die toezicht zou houden op het Centraal vluchtelingenkamp Westerbork. Een Nederlands opvangkamp voor Joden die gevlucht waren uit Duitsland. Het werd een bestemming die van korte duur zou zijn. Na de Duitse inval in Nederland veranderde het vluchtelingenkamp onder de Duitse bezetting in een doorgangskamp. Joden en andere destijds niet gewenste groeperingen uit heel Nederland werden naar Westerbork gebracht. De woning veranderde van eigenaar en werd toegewezen aan de kampcommandant, Albert Konrad Gemmeker. Van 1942 tot 1945 werd hij de bewoner van dit huis. Het is de reden waarom het nu bekendstaat als de Commandantwoning van Westerbork. Konrad Gemmeker leefde er samen met zijn secretaresse Elisabeth Hassel, die ook zijn maîtresse was.

Gemmeker liet het kamp zoveel mogelijk besturen door de Joodse mensen zelf. De dagelijkse leiding van werkzaamheden werd door aangestelde gevangenen uitgevoerd. Wanneer je werkte, goed je best deed en een functie van waarde bekleedde binnen het kamp, werd je transport uitgesteld. Hiermee speelde Gemmeker op slimme wijze in op de hoop van de mensen, om zo orde en rust te bewaren. Dit alles vond plaats op enkele tientallen meters van de commandantwoning. Vanuit zijn huis had hij drie jaar lang zicht op het kamp en de mannen, vrouwen en kinderen die er aan- en afgevoerd werden.

De inval en bevrijding door de Canadezen in 1945 bracht verandering in de situatie. Eerst werden NSB’ers, SS’ers en collaborateurs vastgezet. Gemmeker was een van hen. Aan de andere kant van het hek, achter de slagboom en het prikkeldraad, moet hij uitgekeken hebben op zijn oude woonhuis. Hoe zal hij dat beleefd hebben, daar aan die andere zijde en op wat voor manier zal hij teruggekeken hebben op de jaren die achter hem lagen? Later werd Kamp Westerbork een militair kampement, waarna het onder de naam Schattenberg jarenlang dienstdeed als woonoord voor gedemobiliseerde KNIL-militairen.

Al die tijd heeft het huis daar gestaan, uitkijkend over het kamp. Heeft het van dichtbij meegemaakt wat er gebeurde. De muren lijken zelf de grens aan te geven. Een huis staat voor een haven en geeft bescherming. Het is een plek waar je jezelf kunt terugtrekken en waar je veilig bent. Precies dat wat in het kamp, aan de andere kant van het hek, ontbrak. Het gevoel van veiligheid wordt in dit geval nog eens extra versterkt door de glazen kas die om het huis heen is gebouwd. Binnen de muren is het een woonhuis. Een fijne, geborgen plek. Volledig in contrast met wat er direct omheen in de buitenwereld gebeurde. De muren doen me denken aan een pantser van hout en verf. In mijn hoofd rijzen steeds meer vragen. Hoe kan een mens een ander mens deze geborgenheid ontnemen? Hoe kan iemand voor een ander bepalen waar hij thuishoort?

Hoewel ik de verhalen over dit huis nu ken, voel ik mij niet ongemakkelijk in de omgeving ervan. Dit verbaast me en ik twijfel of het wel klopt wat ik ervaar. Dit kan toch niet de bedoeling zijn? Dit zou me toch een naar gevoel moeten geven, gezien wat hier is gebeurd? Wanneer ik deze gedachten even laat, komen de antwoorden als vanzelf naar boven. Een huis heeft geen mening, en zo ook dit huis niet. De muren hebben zijn bewoners bescherming en veiligheid geboden. Wie dat ook waren. Ik merk dat ik daarom van binnen een tweestrijd voer. Stiekem had ik gewild dat het een naargeestige uitstraling zou hebben. Dat je aan de buitenkant kon zien dat hier iemand heeft geleefd die onmenselijk lijkt te zijn. Maar die uitstraling heeft het niet. In elk geval niet voor mij.

©Petrina LIEFKE Editie 10 Voorjaar - Westerbork-7365_1200

Ik snap daarom ook dat het huis na de oorlog nog lang bewoond is geweest. Tot aan 2007 hebben mensen het hun ‘thuis’ genoemd. Mensen die zich beschermd hebben gevoeld binnen deze muren. Die er verdriet en vreugde hebben gekend, er hebben geleefd. Een klein, veilig eiland naast de restanten van een beladen geschiedenis. Het staat hier. Een woonhuis, opgebouwd uit groen- en witgeverfde planken. Een thuis voor alle mensen die er woonden.

Ik keer me terug om, zet mijn handen tegen het glas om het zonlicht af te wenden en kijk naar binnen. Naar oude radiatoren en behang dat van de muren bladdert. Met een paar planten in de vensterbank en een likje verf zou het zo weer tot leven kunnen komen. Het is verwaarloosd, diep van binnen doet het me een beetje pijn om dat te zien. Ik begrijp de noodzaak om deze woning te beschermen. Zonder de glazen kas zou zij binnen een paar jaar volledig ingestort zijn. Van het kamp zelf is vrij weinig over. Veel is afgebroken en vergaan in de loop van de tijd. Maar dit huis staat er nog, het laat zien dat binnen veilige muren soms gedachtegoed leeft waarvan je je geen voorstelling kunt maken.

Ik voel bijna een soort medelijden voor dit huis. Deze woning draagt zoveel beladenheid met zich mee. Het staat symbool voor een verleden dat me laat blijven nadenken over mijn eigen grenzen. Dat me bewustmaakt om veiligheid en vertrouwen te voelen in wie ik ben. Dat laat zien dat de buitenkant niets zegt over wat er aan de binnenkant mogelijk schuilgaat. En het leert me dat wat ik voel niet altijd overeen hoeft te komen met wat ik denk. Dit huis is een huis zonder mening, maar met karakter.